The Coterie
A clandestine brotherhood of vampires who weave power, faith, and blood through the shadowed courts and candlelit cathedrals of medieval Italy.
Battista werd geboren in Urbania, als zoon van eenvoudige maar vrome ouders. Al vroeg bleek hij een stille, bedachtzame jongen met een scherp verstand. Terwijl anderen speelden op de pleinen, diende hij als altaarjongen in de kerk en luisterde hij met bijna volwassen aandacht naar preken en theologische discussies. Zijn wereld werd gevormd door twee krachten: geloof en nieuwsgierigheid. Voor Battista waren die nooit elkaars tegenpolen.
Met steun van het Vaticaan vertrok hij naar Rome om zich te scholen in de theologie. Daar groeide zijn toewijding aan de Kerk, maar ook zijn fascinatie voor het menselijk lichaam. Hij studeerde geneeskunde naast zijn religieuze opleiding en verdiepte zich in de werken van Galenus. Galen werd voor hem een intellectuele gids — een mentor in schrift — die probeerde ziekte en sterfelijkheid te verklaren via orde en balans in het lichaam. Waar anderen alleen mysterie zagen, zocht Battista patronen. Waar men sprak over straf van God, vroeg hij zich af of er niet ook een natuurlijke oorzaak te vinden was.
Toch verloor hij zijn geloof nooit. Integendeel: hoe meer hij leerde over het lichaam, hoe sterker zijn overtuiging werd dat het bestuderen ervan een vorm van eerbied was. Als God de mens had geschapen, dan was het onderzoeken van dat lichaam geen zonde, maar een poging om Gods ontwerp beter te begrijpen. In hem groeide een voortdurende dialoog tussen altaar en ontleedtafel.
Na het afronden van zijn studies keerde hij terug naar Urbania — precies op het moment dat een dodelijke, besmettelijke ziekte de stad trof. Zijn thuiskomst was geen triomf, maar een confrontatie met lijden. Zijn eigen familie was ziek. Hij diende hen zowel de sacramenten als medische zorg toe, maar moest uiteindelijk machteloos toezien hoe zij stierven. Hun armoede, verergerd door de kosten van zijn opleiding, betekende dat zij zonder eer in een massagraf zouden belanden.
Die gedachte kon hij niet verdragen.
Met steun van het Vaticaan richtte hij De Broeders voor een Eerzame Dood op. Hij gaf de armen waardige rites en begon catacomben te stichten, overtuigd dat het zowel spiritueel als hygiënisch wijselijk was de doden gescheiden te houden van de levenden. Officieel om verspreiding van ziekte te voorkomen — in lijn met wat hij uit medische leer begreep — maar ook uit diep religieus respect voor het lichaam als tempel van de ziel.
Voor lange tijd leefde Battista vrijwel ondergronds. Zijn dagen bracht hij door tussen grafnissen en brandende kaarsen. Hij bad voor de doden, sprak hun namen hardop uit zodat zij niet vergeten werden, en begon steeds vaker hun lichamen te onderzoeken. Autopsie was voor hem geen ontheiliging, maar een zoektocht naar waarheid. Wat veroorzaakte deze ziekte werkelijk? Was het slechts een verstoring van balans, zoals Galen beschreef — of iets dat dieper lag, iets wat nog niet begrepen werd?
De clan hield hem al geruime tijd in de gaten. Een man die de dood niet vreesde, die dissectie zag als devotie, die wetenschap en geloof in één adem kon uitspreken — zo iemand was zeldzaam. Uiteindelijk verscheen Kardinaal Mendoza in zijn leven.
Mendoza kwam niet als leraar, maar als oordeel.
Battista ontving de Kus, en zijn onleven begon.
Een eeuw later is hij nog steeds toegewijd aan zijn gestorven patiënten. Hij onderzoekt, experimenteert en opent lichamen in de hoop een remedie te vinden voor de ziekte die zijn familie het leven kostte. Hij bidt voordat hij snijdt. Hij citeert de Schrift terwijl hij observeert. Voor hem is kennis geen rebellie tegen God, maar een poging om dichter bij de waarheid te komen.
Tussen geloof en wetenschap, tussen graf en altaar, wandelt Battista nog altijd — een priester van de dood en een arts van het onmogelijke.
Cedric is geboren ten noorden van Parijs, in de provincie Île-de-France. Hij heeft altijd een boerenleven gehad. Samen met zijn zus Juliette was hij verantwoordelijk voor de boerderijdieren, terwijl hun ouders, Pierre en Louna, zich bekommerden om de graanvelden rond het erf (La Grange de Vaulerand).
Zijn vader probeerde Cedric het boerderijleven bij te brengen, zodat hij later een eigen erf kon runnen en—wie weet—zodat de familie ooit een keten van boerderijen kon opbouwen. Maar Cedric kon nooit lang echt op de boerderij blijven; er was simpelweg meer dan dat. Urenlang kon hij staren in zelfgemaakte kampvuren, dromend over plaatsen ver van huis.
Zijn vader begreep Cedrics dromen niet, en de twee kregen vaak ruzie over het feit dat Cedric niet op de boerderij wilde blijven.
Als kind liep hij vaak weg om de omgeving te ontdekken. Soms bleef hij dagenlang weg om rond te zwerven. De ene keer doolde hij alleen, maar een andere keer reisde hij verder mee met een passerende karavaan. Daar ontmoette hij de meest interessante mensen: reizigers met de mooiste verhalen, en handelaren met spijzen en nieuwe soorten zijde voor Parijs.
Zo kwam Cedric in aanraking met een gezelschap dat hem meteen aantrok. Alles leek er beter: het eten was beter verzorgd, dag en nacht was er leven en beweging, en het voelde ook veiliger. Hier zat avontuur. Toen Cedric eenmaal kennismaakte met Max Essmoy, werd zijn rol steeds permanenter en bleef hij langer weg van de boerderij. Cedric kreeg extra taken binnen Max’ groep en werd als het ware klaargestoomd om toe te treden tot de clan.
Jaren later, na wéér een ruzie tussen Cedric en zijn vader, was Max het zat. Hij gaf Cedric een ultimatum: keer terug naar je familie en word een erfheer zoals je vader wil—of verbrand die bruggen en kom naar mij, en word een waar lid van de clan. Cedric stak de grote opslagschuur in brand en vertrok met de karavaan naar Parijs. (De keuze was voor Cedric niet moeilijk.)
Hij liet zijn familie in rouw achter… en herrees later, in Parijs, in één nacht uit zijn graf. Daar stond zijn sire hem op te wachten: Maxx Essmoy.
Zijn nieuwe familie, de Ravnos, leerde hem wat hem te wachten stond en nam hem onder hun vleugels.
In zijn nieuwe leven werd Cedric wel iets rustiger, maar hij begon dingen te zien: hij knoopte stukjes informatie aan elkaar en kreeg de wildste ideeën. Vaak liep het nergens op uit, maar soms zat hij er precies bovenop. Stilzitten kon hij nog steeds niet. Hij werd aangesteld als boodschapper tussen de karavanen—en, namens Maxx, om vanaf de zijlijn te observeren en te speuren naar nieuwe kansen waar Maxx naar op zoek was.
Onder Maxx opereerde een kleine, geselecteerde groep Ravnos: de Zoekers, de Chercheurs. Zij werden af en toe stad en land doorgestuurd om speciale items op te sporen die Maxx’ interesse hadden.
Nu, 150 jaar na zijn “eerste” nacht, is Cedric naar Italië gestuurd: Siena. Daar moest hij zich melden bij de lokale prins. Officieel kwam hij omdat hij de oorlog ontvluchtte; de leden van het Zwarte Kruis werden veel te gewelddadig, en misschien was Italië een betere plek om te zijn.
Eenmaal daar moest hij een veilige plek vinden om zijn amulet te activeren—om zijn missie te ontvangen, en om te onderzoeken wat Maxx zo belangrijk vond.
Meer dan twee eeuwen heb ik geleefd in de schaduw van mijn sire, Leonardo Montano, een man van aanzien en macht binnen de vampier gemeenschap. Onder zijn strikte toezicht heb ik mijn vaardigheden ontwikkeld en mijn plek in de duistere wereld van de Lasombra geclaimd. Maar mijn bestaan is allesbehalve gemakkelijk. De duisternis, waar ik ooit alleen mee flirtte, is nu verweven met mijn wezen. Waar ik ook ga, klampen schaduwen zich aan me vast, als de vingers van de Abyss die me nooit loslaten. Vlammen doven in mijn nabijheid, kaarsen flikkeren en verdwijnen in de duisternis als ik een kamer betreed. Het is alsof de nacht zelf door me heen stroomt, en mijn aanwezigheid vult de ruimte met een onuitgesproken dreiging.
Deze krachten maken me ontzagwekkend voor anderen. Zowel sterfelijke zielen als mijn eigen soort voelen de kilte die om me heen hangt, een aanwezigheid die hen diep in hun wezen raakt. Zelfs zonder een woord te spreken, dwing ik respect af, dankzij mijn aura. Het is een kracht die me onderscheidt van anderen, maar het is ook een zwaard dat aan beide kanten snijdt. Ik kan niet ontsnappen aan mijn eigen macht; elke kamer die ik binnenstap, wordt onmiddellijk gevuld met de gewaarwording van mijn aanwezigheid. Soms kan ik de controle verliezen, vooral wanneer mijn morele kompas wankelt. Dan voel ik de chaos die binnen in mij woedt, een herinnering aan de smalle grens die ik bewandel tussen macht en vernietiging.
Ik ben geen schoonheid volgens de sterfelijke standaarden, maar schoonheid is een zwakte in de wereld waarin ik leef. Mijn kracht en intimiderende aanwezigheid zijn mijn ware wapens. Ik ben niet geïnteresseerd in charme of verleiding. Waar ik kom, regeert angst. Mijn vijanden begrijpen snel dat ze mij niet lichtzinnig moeten benaderen, en als ze dat toch doen, verpletter ik hen zonder aarzeling.
Mijn leven wordt echter niet alleen gedreven door macht. Het vuur van wraak brandt fel in mijn hart. De Inquisitie beroofde me van mijn moeder, en daarmee raakten ze aan mijn ziel. Sindsdien is mijn leven een zoektocht naar vergelding. Elke ontmoeting met een inquisitor is een herinnering aan het verlies dat ik nooit zal vergeten. Ze zijn een plaag die uitgeroeid moet worden. Het is een obsessie, een roeping die me vaak in gevaar brengt, maar ik ben bereid om dat risico te nemen. Wanneer ik er één ontmoet, voel ik een oncontroleerbare drang om hen te vernietigen. Soms kan ik mezelf beheersen, maar vaak niet. Het bloed roept, en mijn wraak is alles.
Ondanks mijn immense kracht en de lessen van mijn sire, leef ik een leven van afzondering. Mijn krachten verwijderen me verder van de sterfelijke wereld. Zelfs binnen de vampiergemeenschap ben ik een vreemde, een wandelend symbool van angst en de Abyss. Maar ik ben niet alleen. Luca en Gianni, mijn ghouls en trouwe dienaren, zijn altijd aan mijn zijde. De Italiaanse tweeling dient mij met onvoorwaardelijke loyaliteit. Hun aanwezigheid biedt me een zekere troost, hoewel ik weet dat mijn controle over hen net zo duister is als de krachten die me beheersen.
Mijn sire in zijn imposante onderkomen in Rome. Zijn ogen straalden koele vastberadenheid uit. Toen ik voor hem knielde, wachtend op zijn bevelen zei hij: "Lucrezia, de stad waar ik je heen stuur, is cruciaal voor onze clan, maar onze greep erop is verzwakt. Andere clans hebben er hun invloed uitgebreid. Hun bondgenootschappen, hun handel, hun politieke intriges, het vergiftigt alles waar wij recht op hebben."
Hij leunde naar voren met een indringende blik. "Ik stuur je erheen. Je opdracht is simpel, maar gevaarlijk: Herstel de macht van de Lasombra in de stad. Ontwortel onze vijanden, vergroot onze invloed, en bouw een netwerk op van bondgenoten. Je zult moeten infiltreren, manipuleren, en —wanneer nodig— vernietigen.
Je zult je eigen krachten moeten aanwenden en nieuwe volgelingen moeten creëren. De stad is vol vijanden en slangen, zowel menselijk als vampirisch. Je zult daar, in de schaduwen, een nieuw netwerk van loyaliteit en angst bouwen. Ontwikkel je eigen domein in deze verraderlijke stad en maak het zo sterk dat het onwankelbaar is.
Je zult de juiste mensen aan jouw kant moeten krijgen, en degenen die zich tegen je verzetten moeten vernietigen. Wees slim, wees meedogenloos, en faal niet. Dit is een test van je waarde, Lucrezia. Je zult hier bewijzen dat je meer bent dan alleen een instrument van de Abyss. Je zult laten zien dat je een heerser bent."
Dus hier ben ik. Luca en Gianni hebben een woning voor me gekocht en in het holst van de nacht heb ik mijn intrek genomen.